Hoe vragen oplossen – stappenplan

Over het algemeen: Eerst analyseren, dan oplossen

Veel opgaven beginnen met een stuk tekst. Begin niet meteen met schrijven, want vaak is de informatie zo complex dat je het probleem (en de oplossing) niet meteen kunt overzien. Een opgave oplossen gaat dus meestal in een aantal (denk) stappen. Natuurlijk is het niet nodig om deze aanpak op alle vragen toe te passen. Gebruik hem in ieder geval bij lastige vragen.

Stap 1 Wat is het probleem?

Lees de tekst. Bij welk onderwerp hoort de vraag? Welke gegevens bevat de tekst? Voorkom dat je teksten meerdere keren moet lezen: maak tijdens het lezen aantekeningen in de kantlijn, of onderstreep belangrijke trefwoorden of formules.

Stap 2 Wat is de vraag?

‘Wat willen ze van me weten …?’ Onderstreep in de vraagstelling woorden die dat aangeven: is een voorbeeld vereist, moet ik het uitleggen, een berekening maken, of …? Formuleer daarna in je hoofd, in je eigen woorden, de vraag waar het om gaat.

Stap 3 Antwoord geven

Geef bij alle vragen een zo nauwkeurig mogelijk antwoord. Bekijk iedere vraag goed: zet je te weinig informatie in een antwoord, dan is de kans groot dat je niet alle punten krijgt, te veel is zonde van de tijd en levert je vaak niets extra’s op. Zorg ook dat je eindantwoord precies aansluit bij de vraag en dat je je conclusie duidelijk opschrijft.

Stap 4 Antwoord controleren

Controleer met behulp van de aanwijzingen in de vraagstelling of je antwoord voldoet aan de eisen. Heb je niets over het hoofd gezien? Controleer ten slotte of je antwoord wel logisch is. Als je bijvoorbeeld berekend hebt dat het gewicht van een volwassen man 278 kg moet zijn, is het zeer waarschijnlijk dat je een rekenfout hebt gemaakt. Onderstreep het eindantwoord.

Let er uiteraard of je formules hebt opgeschreven en ingevuld, of de significantie en eenheden kloppen.

Redeneervragen

Er zijn ook redeneervragen, wanneer het mogelijk is om aan de hand van de formule te redenering is dan kans op fouten vele malen kleiner.

Voorbeeld

Stel de vraag is, je wil een wiebelwieg aan een veer langzamer laten trillen/bewegen. Moet je dan de massa verzwaren of juist lichter maken.

Misschien dat je dit zonder formule kan beredeneren, maar met formule is dat vele malen makkelijker.

Aan de hand van de formule T = 2 π √( m/C) kun je beredeneren dat wanneer de massa groter wordt de T dus ook groter wordt. Wanneer de T groter wordt, wordt f kleiner (f = 1/T)

Worst case scenario, je weet helemaal niet waar je moet beginnen…

Probeer dan aan de hand van de gegevens de juiste formule te selecteren en die vervolgens in te vullen. Je krijgt hier soms al punten voor. Verder kan het zijn dat de weg naar het eindantwoord langzaam maar zeker zichtbaar wordt.

Enable Notifications    OK No thanks